
We trachten te dijken, het beest van vocht in 1 glas te schenken, drinken niet.
Achter glas bekijken wij het leven, en al zijn schelp, waaiende wieren. Maar ook glas bestaat slechts uit zand, en vuur, het schuift, barst en breekt, vroeg of laat
Als tij komt, de ochtendvloed onze kusten bereikt slaan wij alarm, trekken ons terug in bunkers, achter duinen.
We bevrezen de golfslag, de dijning, het breken van kades.
Terwijl wij allen druppels zijn vrezen wij water, het woeste donkere water. We bouwen vlotten van drijfhout en bergen afval, uit angst. We vergeten te wandelen langs kusten die zeeën werden. Ooit razend, nu herbergen zij de drenkelingen van vroeger. Zij die vergaten dat ze konden zwemmen, die dijken bouwden voor ontembare waters. In schelpen zit vervat een zeemanslied, uit lang vervlogen tijden. Een lied dat zingt van woeste zeevaarders, stoere binken en zachte stuurmannen, allen trotseerden zij de zee die raast en kolkt in de nacht. Zij bouwden geen vlotten, keken niet toe vanachter glas, lijdzaam. Zij lieten zich drijven op de dijning, het ritme van water, bleven zingen in de zwaarste storm, de donkerste nacht. Zij dronken schuim & vuil water, zand, uit een glas dat zij zelf maakten, vierden feest op zee, wierpen boeien naar drenkelingen. Zij raasden in eigen water, vingen drijfhout om schepen te maken & vaarden, vooruit
De wind in de zeilen, nooit voor anker, altijd op koers
Zij waren dapper, zeevaarders, woeste kenners van water, zij vreesden niets en vaarden zee, zij waren zee