Snoeien

Ik ging donkere gedachten vangen, en ze ombuigen.
Eerst die van het kleine soort, minder verscholen.
Op een koele ochtend in de herfst trok ik er op uit om ze te grijpen bij de wortels. Voor je ’t weet gaan ze met je aan de haal maar als je maar snel genoeg aan die wortels kan doen ze niks.
Het zijn babbelaars, onderhandelaars, sjacheraars en sjoemelaars. Ze gaan met je frisse blik aan de haal, vertellen een verhaal terwijl er niks gebeurd.
Daar achter die spar zit er één!
Een mopperaar en daar.. een oordeeltje oh en wat verder in de struiken 2 luktmenietjes.
Ik neem wat daadkracht uit de buidel, span m’n boog en ga erop af. Niet veel tegenspan deze keer, 1 voor 1 komen ze los en rollen weg de donkerte in.
Ik zei nog dat het leven iets moois is, dat dat oordeel toch maar kleursel is, goed of slecht onbestaande.

Ik was blij met de eerste buit, bedacht me hoe dankbaar ik was.

Tot een zwaarte me overviel, ze waren in de buurt: sluwerikken, verstoppers, goochelaars en onderhandelaars. Minder evident!
Ik trok mijn stoute schoenen aan, 2 strepen op m’n gezicht verraadden m’n strijdlust. Deze keer geen boog maar zwaard. Een zwaar zwaard om zwaarte te verslaan. Het was een strijd, wortels vlogen door de lucht, overal mos. Nog 1 te gaan, daar hoog in een populier zag ik z’n silhouet: een zelfmedelijdje, van het sluwe soort. Ik gooide mijn zwaard omhoog, riep nog dat er nooit iets mis is geweest, tsjak!
Een stel wortels daverde naar beneden, passeerde rakelings mijn hoofd alvorens de aarde te bereiken.
Et voila
Ik wandelde door het bos met een zelfvertrouwen dat gegrond was, of leek te zijn want daar was toch mijn grootste vijand: de DOODSANGST. Die wil je niet tegenkomen, niet in de stad maar al zeker niet hier in het donker groen. Ik twijfelde. Overal zag ik gevaar. Van de grootste open tot het kleinste hoekje. Hij zat overal! Deze klus kon ik maar klaren met het beste wapen; kennis van zelf.
Ik ging erop af, fluisterend, binnensmonds pratend. Ik weet dat je niet echt bent, wie is het die dood gaat dan zeg het me! Het was niet genoeg, duidelijk maar woorden, ongeladen.
Ik dreigde te verliezen, mezelf te verliezen, het was te veel, te moeilijk om te zien, te vatten. Ik struikelde, tuimelde, dreigde te worden meegesleurd naar de diepte, tot een steen m’n val brak. Na alle kiezels was deze de zwaarste die ik ooit was tegen gekomen. Het soort dat je tot stilstand brengt.

Ik gaf me over, het mocht er zijn. Een laatmaarkomen landde op m’n schouders, schouders die zo veel moesten dragen, maar waarvoor? En wat?
Ik zat hier goed op die steen in het bos, de zon kwam op.
De lucht kleurde roos van laatmaarkomens, dankjeweltjes, realiteitjes en alstubliefjes, van gewoonmaarzijntjes en voordewindjes, weinigweerstands en eerlijkheidjes.
Volop genieten
Ik hoorde water kabbelen. Aan de oever van de rivier zag ik ze 1 voor 1 voorbijdrijven: de mopperaar, het oordeeltje, twee luktmenietjes, het zelfmedelijdje en ook mijn grootste vijand de doodsangst, of tenminste wat ervan overbleef, dreef daar vredig voorbij.

Ik was blij, blij met de dag, blij met de vangst, blij met het leven.

Plaats een reactie