Ik vond laatst twee lachkuiltjes, vulde ze met tranen en schater, vissen die vrijen. Ze lagen verscholen tussen wimpers en wenkbrauwen. Wie ze gegraven heeft weet ik niet, maar het is goed werk, kuiltjes zoals je ze niet vaak tegenkomt. Het soort kuiltjes waarvoor je hard je best moet doen om ze te vinden. Als ik het even moeilijk heb, de dagen langer lijken dan normaal, denk ik graag terug aan die kuiltjes. Dan vraag ik me af of ze soms bezoek krijgen van rare beestjes, die daar dan bekvechten, stoeien en opnieuw het luchtruim nemen. Ik wou dat ik zelf ook zo’n kuiltje had, in mijn achtertuin. Dan kon ik daar elke avond zitten, tot de schemering, mijmeren over wat is geweest en dromen van morgen. Ik zou dan majestueuze vissen uitzetten, met nakomelingen, zo voel ik me nooit alleen. Als ik dan later in de sleur van het leven nood heb aan rust hoef ik enkel maar te kijken naar die wonderwaterwereld. De hardheid van de maatschappij verdwijnt als ik onder ga, die vissen brengen troost. Als ik dreig te verdrinken in moeten en zou je niet beters denk ik aan Jean Louis, met z’n hanekam en scheve vinnen, die rondjes zwemt, het niet kan helpen. Nooit heb ik hem horen klagen, niet eens liet hij zich zakken, tot de bodem. Nee, Jean Louis bleef bovenaan, trots en schitterend in de middagzon. De glinsters op z’n schubben verraadden dat hij wist wat andere vijverbewoners niet weten, of toch vergeten waren. Als ik kon zou ik hem vragen op de koffie, zonder melk, want dat is niet goed voor vissen. Ik zou dan polsen naar zijn geheim recept, hoe hij boven blijft, nooit voor anker gaat. Ik zou vragen waar hij het leerde, de eerste slagen, baksteen & crawl. Ik zou vragen wie zijn redder was en of ik zijn brevet kon lenen, al was het voor een dag. Met dat brevet zou ik terugkeren naar kantoor in kamerjas met roze badeend. In ganzenpas wandel ik daar dan binnen, op o-benen, laat de nieuwe spelling even voor wat ze is. Ik zou met opgeheven hoofd een fristi kopen uit de automaat, hem schenken in een bierglas, met een olijfje erbij. Ik zou me installeren aan de kleinste tafel, temidden van de cafetaria, alle ogen op mij gericht, en lezen in een tv-magazine. Ik voel niets van de ogen, steken in de rug, het doet geen pijn. Vanavond is er een thuiswedstrijd, op verplaatsing, en het interesseert me geen bal. Ook de kranten die koppen over de zoveelste oorlog tussen handels, zonder winnaar, gaan aan me voorbij. De cartoon onder het stuk over de verkiezing trekt m’n aandacht. Een naakte man in een boom, met een snor, beneden kijkt een kat hem aan, tekstballon is overbodig, de blik zegt genoeg, spreekt boekdelen. Het doet me denken, peinzen, na 4 lege minuten bevind ik me plots op de kleine tafel, zonder kleren. Ik open m’n keel en begin te speechen. De wereld is voor de vissen, de trage lompe vissen die durven zwemmen in vervuilde waters. Als alles naar de haaien is nemen zij het over. Op 1 dag zouden alle conflicten en spel van de baan zijn. Vissenvoer in overvloed en water voor iedereen, zonder melk graag. Bureaucratie & kapitalisme steken we in een aquarium op een vlot richting het einde van de wereld en Jean Louis gaat aan de macht. Bij zijn inauguratie heeft hij maar 1 woord, blub, miljoenen mensen zagen, hoorden zijn speech en waren verbijsterd. Zijn woorden, of toch dat ene, dreven de massa dichter bij elkaar. Jaren later sprak men nog van dat moment, dat ene woord, blub, dat zorgde voor een nieuwe wind. De wind die vandaag de dag nog steeds waait, opsteekt uit onverwachte hoek, blaast door het ventilatiesysteem op kantoor, prikt in de ogen van zij die staren, verkoelend werkt voor ogen die gesloten zijn. De wind die dromen vangt en ze in de lucht houdt. Wanneer de tijd vliegt heb je ze tegen maar eens je de juiste hoek hebt gevonden brengt ze je vooruit, stuwt je door het leven. Ze brengt je naar verborgen plaatsen met kuiltjes, waar ongeschoolde vissen hun baantje verlaten, gedragen door het water. Zij leerden nooit wat anker is of hoe je zwemmen moet. In vreemde slagen geraken ook zij vooruit, ongehinderd door de slag van anderen.
Als ik ooit heenga leg ik me graag te rusten op een plaats waar de wind goed bij kan, de lucht ruim genoeg is. Onder de grond droom ik dan van de wonderwaterwereld en al zijn glinsteringen, ik passeer nog even voorbij Jean Louis, weet hem wel te vinden. Bovenaan zoals altijd, in de middagzon, zich van geen kwaad bewust. We drinken koffie, hij trakteert, met een wolkje melk, omdat het de laatste keer is zegt hij. Wat heb ik die vis graag, met z’n hanekam en scheve vinnen, welgemanierd, zuinig in woorden. Zo zwemmen er niet veel rond dacht ik bij mezelf, toen het plots heel stil werd.
Eén reactie op “Vissen in kuiltjes”
mooi ,mooi, mooi,
wat een talent !
LikeLike